Nieuws
Een landbouwer werd met 20% gekort op zijn bedrijfstoeslag, omdat een toezichthouder van het waterschap had geconstateerd dat een door de landbouwer ingeschakelde loonwerker het gewasbeschermingsmiddel glyfosaat had gespoten op de sloottaluds langs een perceel.
In de beroepszaak wees de landbouwer erop dat de loonwerker normaal gesproken goed werk leverde en dat het gebruik van glyfosaat op de taluds niet de bedoeling was. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven begreep het standpunt van de landbouwer dat in dit geval toezicht ter plekke op het gebruik van glyfosaat vanwege de onmogelijkheid van feitelijke waarneming van eventuele drift en de gezondheidsrisico’s niet in redelijkheid van hem kon worden verlangd. Dat bracht echter niet mee dat hij had mogen volstaan met het geven van algemene instructies. De landbouwer had telefonisch opdracht gegeven aan de loonwerker om het perceel te behandelen. Hij was ervan uitgegaan dat de loonwerker het werk zoals gewoonlijk goed en met inachtneming van de van toepassing zijnde randvoorwaarden zou uitvoeren. Niet gebleken was echter dat de landbouwer de loonwerker uitdrukkelijk had geïnstrueerd om de van toepassing zijnde randvoorwaarden in acht te nemen of dat de landbouwer met de loonwerker de concrete grenzen van het te bespuiten oppervlak had besproken. Gelet hierop was de landbouwer volgens het College aansprakelijk voor het niet juist toepassen van het gewasbeschermingsmiddel.
Standaard bedraagt de randvoorwaardenkorting 3%, maar bij opzet bedraagt deze 20%. Volgens het College had RVO.nl zich terecht op het standpunt gesteld dat er sprake was van een opzettelijke niet-naleving. Er is ook sprake van een opzettelijke niet-naleving indien de steunontvanger zich zodanig gedraagt dat hij de mogelijkheid aanvaardt dat zich daardoor een toestand van niet-naleving van de voorschriften inzake randvoorwaarden voordoet. Dat was hier het geval.
Een melkveehouder kocht in 2014 bijna 12 ha grond, waarmee zijn bedrijf geheel grondgebonden werd. Deze grond verpachtte hij van 1 mei 2015 tot 30 april 2016 aan een aardappelteler. Bij de vaststelling van de fosfaatrechten paste RVO.nl een generieke korting van 594 kg toe, omdat het bedrijf in 2015 niet grondgebonden was. De melkveehouder stelde hiertegen met succes beroep in bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
De melkveehouder stelde dat hij onevenredig hard werd getroffen doordat de incidenteel verpachte grond buiten beschouwing werd gelaten, waardoor het bedrijf niet meer grondgebonden was. Ten tijde van het afsluiten van de pachtovereenkomst kon hij niet voorzien dat de verpachting zou leiden tot een korting op zijn fosfaatrechten.
Het College overwoog dat de melkveehouder de grond vanaf de aanschaf in 2014 steeds zelf in gebruik had, met uitzondering van de periode dat de grond was verpacht. De verpachting betrof een eenmalige en tijdelijke aangelegenheid en had een korting van 594 kg tot gevolg. Dat aantal fosfaatrechten kwam hij te kort om zijn bedrijfsvoering op de bestaande wijze te kunnen voortzetten. Het tekort hing op geen enkele wijze samen met een beslissing om het bedrijf uit te breiden. De melkveehouder kon weliswaar verwachten dat de overheid maatregelen zou treffen vanwege de afschaffing van het melkquotum, maar niet voorzien dat de verpachting zou leiden tot een grote verliespost (aankoop fosfaatrechten). Daarbij kwam dat de melkveehouder in 2015 mest van zijn eigen bedrijf op de verpachte grond had afgezet en daarmee feitelijk in lijn met de grondgebondenheid had gehandeld.
De melkveehouder droeg volgens het College een individuele en buitensporige last en zijn belang diende zwaarder te wegen dan de belangen die zijn gediend met het fosfaatrechtenstelsel. RVO.nl diende de melkveehouder tot op zekere hoogte te compenseren. Het College liet het aan RVO.nl over om te bepalen in welke vorm en omvang compensatie plaats moest vinden.
Bij de Hoge Raad is een procedure aanhangig van een werkneemster, die is ontslagen wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. De AG bij de Hoge Raad concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
De casus is als volgt. De werkgever heeft de dienstbetrekking met de werkneemster opgezegd met toestemming van het UWV en met inachtneming van de geldende opzegtermijn. Bij het einde van het dienstverband heeft de werkgever een transitievergoeding betaald. De werkneemster verzoekt om een billijke vergoeding omdat de opzegging het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. Volgens de werkneemster bestaat dat ernstig verwijtbare handelen uit tekortkomingen van de werkgever in het re-integratieproces.
Het Burgerlijk Wetboek biedt de rechter de mogelijkheid om ten laste van de werkgever een billijke vergoeding toe te kennen in die situatie.
Ernstig verwijtbaar handelen wordt niet snel aangenomen. Onvoldoende re-integratie-inspanningen van de werkgever leveren nog geen ernstig verwijtbaar handelen op, ook niet als het UWV om die reden een loonsanctie heeft opgelegd. Volgens een arrest van de Hoge Raad moet de rechter het criterium ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever met terughoudendheid toepassen. Dit betekent dat de werkgever alleen in uitzonderlijke gevallen een billijke vergoeding verschuldigd is.
Naar de mening van de AG heeft het hof terecht geoordeeld dat de hoge drempel voor het aannemen van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever niet is overschreden door de tekortkomingen van de werkgever bij de re-integratie.
Bij de registratie in Nederland van een personenauto of motorfiets moet belasting van personenauto’s en motorfietsen (bpm) worden betaald. Dat geldt ook voor de registratie van een uit het buitenland afkomstig gebruikt voertuig. De bpm voor een gebruikt voertuig is lager dan voor een nieuw voertuig. De kwalificatie als nieuw of gebruikt is daarom belangrijk. Een nieuwe personenauto voor de bpm is volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad een auto die niet of nauwelijks is gebruikt.
Een auto zonder gebruikssporen maar met transportschade is volgens Hof Arnhem-Leeuwarden een nieuwe auto. Transportschade is geen gevolg van gebruik en daarom niet van belang voor de kwalificatie van de auto als nieuw of gebruikt. De auto met transportschade had bij registratie slechts 20 kilometer gereden. Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden was de auto na vervaardiging nauwelijks gebruikt. Afschrijving op de bpm in verband met gebruik was niet aan de orde.
De Gemeentewet staat toe dat gemeenten parkeerbelasting heffen. Het begrip parkeren houdt in het gedurende een aaneengesloten periode laten staan van een voertuig voor een ander doel dan het onmiddellijk in- en uitstappen van personen of het onmiddellijk laden en lossen van zaken.
Volgens Hof Amsterdam betekent dit dat het stilzetten van een auto om een telefoongesprek te voeren op een parkeerplaats onder het begrip parkeren valt. Dat geldt ook als dat telefoongesprek en dus het stil staan van de auto slechts korte tijd heeft geduurd. Het hof begrijpt dat de automobilist, aan wie vanwege het voeren van een telefoongesprek een naheffingsaanslag parkeerbelasting is opgelegd, dit onredelijk vindt. De vraag of het onredelijk is parkeerbelasting te heffen in deze situatie staat niet aan de belastingrechter ter beoordeling.
Vanwege de aanhoudende droogte en de gevolgen hiervan voor de graszode kan het wenselijk zijn om grasland te scheuren. Welke regels gelden hiervoor?
Klei- en veengrond
Op klei- en veengrond mag grasland tot en met 15 september vernietigd worden. Als er na het vernietigen een stikstofbehoeftig gewas wordt geteeld en men dit gewas wil bemesten met een stikstofhoudende meststof, moet uit een representatief grondmonster (scheurmonster) blijken dat de aanwezige hoeveelheid stikstof in de grond te laag is voor de stikstofbehoefte van het gewas.
Zand- en lössgrond
Grasland op zand- en lössgronden mag tot en met 1 september gescheurd worden als direct daarna gras wordt gezaaid. In deze situatie wordt een korting op de stikstofgebruiksnorm van 50 kg stikstof per ha toegepast. Er geldt geen stikstofbemonsteringsplicht. Het scheuren of vernietigen moet uiterlijk zeven dagen voor de uitvoering hiervan doorgegeven worden via mijn.rvo.nl.
Drijfmest
Vanaf dit jaar is de uitrijdperiode van drijfmest op bouwland blijvend verlengd van 31 augustus naar 15 september. Vorig jaar was het nog een tijdelijke verlenging. Het uitrijden in de periode 1 augustus tot en met 15 september is echter alleen toegestaan, indien:
- uiterlijk op 15 september een groenbemester wordt ingezaaid;
- uiterlijk op 15 september winterkoolzaad wordt gezaaid voor zaadwinning in het volgende jaar;
- in het daarop aansluitende najaar bloembollen worden geplant.
Het uitrijden van drijfmest na een vroege oogst van maïs (voor 15 september) op zand- en lössgronden is niet toegestaan.
Vaste mest
Het uitrijden van vaste mest op klei- en veengrond is op bouwland het hele jaar toegestaan. Op zand- en lössgrond alleen in de periode 1 februari tot en met 31 augustus. Het uitrijden van vaste mest na een zeer vroege oogst van maïs (voor 31 augustus) op zand- en lössgronden is niet toegestaan.
Bedrijven met melkvee (melk- en kalfkoeien, jongvee voor de melkveehouderij en jongvee voor de vleesveehouderij) moeten ervoor zorgen dat de omvang van de veestapel binnen de beschikbare fosfaatrechten blijft. Uit een recente uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven blijkt dat daarbij een correcte dierregistratie van groot belang is.
Belangrijk is dat de dieren tijdig en correct in de juiste diercategorie worden geboekt. Wanneer een kalf of pink niet (meer) bestemd is om uit te groeien tot koe, moet dit goed vastgelegd worden in de dierregistratie. Leg daarbij ook de onderbouwing vast in de administratie (bijv. deklijsten, samenweidingsverklaringen en resultaten drachtigheidscontroles).
De Eerste Kamer heeft onlangs een wetsvoorstel aangenomen dat de duur van de partneralimentatie beperkt tot de helft van de duur van het huwelijk. Er geldt een maximumduur van vijf jaar. Op deze duur zijn twee uitzonderingen. De eerste uitzondering betreft langdurige huwelijken. De tweede uitzondering betreft huwelijken met jonge kinderen.
Bij huwelijken, die langer dan 15 jaar hebben geduurd, geldt een maximale duur van de partneralimentatie van tien jaar als de alimentatiegerechtigde maximaal tien jaar jonger is dan de AOW-leeftijd. Deze regeling geldt gedurende zeven jaar ook voor alimentatiegerechtigden van 50 jaar en ouder, mits het huwelijk langer dan 15 jaar heeft geduurd.
Zijn er kinderen jonger dan 12 jaar betrokken bij de echtscheiding dan bedraagt de duur van de partneralimentatie maximaal 12 jaar.
De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft een ontwerpbesluit gepubliceerd met geïndexeerde bedragen voor de kinderopvangtoeslag per 2020.
- De maximum uurprijs voor dagopvang stijgt van € 8,02 naar € 8,17.
- De maximum uurprijs voor buitenschoolse opvang stijgt van € 6,89 naar € 7,02.
- De maximum uurprijs voor gastouderopvang gaat omhoog van € 6,15 naar € 6,27.
De kinderopvangtoeslag voor het eerste kind bedraagt voor ouders met de laagste inkomens 96%. Het bijdragepercentage voor het eerste kind daalt met het stijgen van het inkomen tot 33,33%. In 2020 gebeurt dat bij een toetsingsinkomen van € 126.832. In 2019 gebeurt dat bij een inkomen van € 123.920.